Inleiding
Retinitis pigmentosa (ook wel T.R.D.,
tapetoretinale dystrofie, genoemd) is eigenlijk niet één
ziekte maar een verzamelnaam voor een groep ziekten die gekenmerkt
worden
door slecht zien in het donker (nachtblindheid) en zeer geleidelijke
beperking van het gezichtsveld, die uiteindelijk leidt tot
kokerzien. De ernst en het beloop kunnen heel erg wisselen:
soms zijn de symptomen al op kinderleeftijd duidelijk; soms
wordt de ziekte pas op middelbare leeftijd vastgesteld. Wij
gaan ervan uit dat de aanleg om de ziekte te krijgen, wel
in alle gevallen erfelijk bepaald is. Het gaat hierbij om
verschillende vormen van erfelijkheid, waarbij de kans om
de aandoening over te dragen op eventuele kinderen varieert
van zeer gering (minder dan 1%) tot vrij aanzienlijk (maximaal
50%). Indien u een erfelijkheidsonderzoek wilt, kunt u dat
overleggen met uw oogarts of met uw huisarts.
Hoe vaak komt het voor ?
Geschat wordt, dat ongeveer 1:4000 mensen retinitis pigmentosa
(RP) hebben. Dat betekent, dat er tegen de 4000 mensen met
deze aandoening in Nederland moeten zijn. Voor oogartsen
is de ziekte goed bekend, maar voor huisartsen is dat helaas
niet zo, omdat de kans dat zij ermee te maken krijgen veel
kleiner is. Omdat de aanleg voor de ziekte erfelijk is,
zullen soms meerdere familieleden RP hebben, zodat de ziekte
en het beloop al uit ervaring bekend zijn. Toch kunnen er
grote verschillen zijn in het beloop van de ziekte, zelfs
binnen één familie! Bovendien is het zo, dat
bij ongeveer de helft van de RP-patiënten geen andere
familieleden met de aandoening bekend zijn.
Diagnose
Wanneer RP in de familie voorkomt, zal men dikwijls de symptomen
herkennen en zal de oogarts vaak gemakkelijk de diagnose
kunnen bevestigen, meestal door naar het netvlies te kijken
met de oogspiegel en gezichtsveldonderzoek te laten doen.
Bij het gezichtsveldonderzoek wordt gekeken of er delen
van het gezichtsveld (boven, beneden of opzij) niet goed
funktioneren. Wanneer de aandoening niet in de familie voorkomt,
wordt de diagnose vaak in een veel later stadium gesteld:
door het zeer langzame beloop past de patiënt zich
bijna ongemerkt aan. Hij of zij went zichzelf om goed naar
de grond te kijken tijdens het lopen en voortduren de omgeving
te "scannen". Pas achteraf realiseert men zich
dat de symptomen er soms al meer dan tien jaar of langer
waren .....
In deze gevallen zal de oogarts behalve een gezichtsveldonderzoek
soms ook een ERG (electroretinogram) doen om zeker te zijn
van de diagnose. Bij dit onderzoek wordt de elektrische aktiviteit
geregistreerd die het netvlies na een lichtflits uitzendt.
Bij dit onderzoek worden meestal contactlenzen met draadjes
eraan op de ogen geplaatst (na verdovende druppels en met
een soort gel) en moet men een tijd in het donker zitten.
Het onderzoek neemt daarom ruim een half uur tot drie kwartier
in beslag en is, zeker voor kinderen, toch wel belastend te
noemen. In sommige gevallen wordt ook een donkeradaptatie
gedaan: hierbij meet men de gevoeligheid van staafjes en kegeltjes,
die langzaam toeneemt na het uitdoen van het licht. Men moet
recht vooruit in een bol kijken, terwijl in het donker een
zwak lichtje zo sterk wordt gemaakt, dat het net gezien wordt.
Dit onderzoek vereist wel concentratie en medewerking, maar
is niet belastend. Het geeft echter slechts informatie over
een klein stukje van het netvlies, namelijk daar waar een
lichtje aangeboden wordt. Het wordt daarom niet standaard
uitgevoerd.
Prognose
Omdat het om zoveel verschillende vormen gaat, is er geen
vaste uitspraak te doen over de prognose. Wel gaat het in
principe om een langzame achteruitgang. Soms lijken er echter
periodes van "stilstand" op te treden, helaas
soms ook van snellere achteruitgang. Vaak is de gezichtsscherpte
tot op redelijk hoge leeftijd goed, zodat lezen geen probleem
geeft, maar men door het zeer kleine gezichtsveld toch erg
gehandicapt is , bijvoorbeeld bij het lopen door een winkelstraat
of bij het oversteken. Dit gelijktijdig aanwezig zijn van
het goede zien van kleine details en het niet zien van grote
obstakels wordt door de omgeving soms moeilijk begrepen.
Het is belangrijk dit aan familie, vrienden en collega's
uit te leggen. Het blijkt vaak moeilijk met de onzekerheid
over de toekomst te leven. Na het horen van de diagnose
is het normaal, dat men een periode nodig heeft om het veranderde
toekomstbeeld te verwerken. Sommige mensen worden angstig,
andere boos of depressief. Het gaat in feite om een soort
rouwproces. Het is belangrijk over je gevoelens te kunnen
praten.
Behandeling
Helaas ie tot dusver geen effectieve behandeling voor RP.
Men is en blijft echter druk bezig met het zoeken hiernaar:
medicijnen (momenteel is men bezig met groeifactoren), netvliestransplantatie
(dierproeven, enkele proeven op bijna blinde mensen gedaan:
nog niet veel resultaat), het in-bouwen van chips in het
netvlies (dierproeven) en ook is men bezig met gentherapie
(dierproeven). Hopelijk geven deze inspanningen in de nabije
toekomst mogelijkheden voor een effektieve therapie! Uit
Amerikaans onderzoek is gebleken, dat patiënten die
hoge doses vitamine A slikten, minder achteruitgang van
hun ERG lieten zien dat RP-patiënten die dit niet deden.
Er was echter geen verschil merkbaar in de gezichtsscherpte
en het gezichtsveld. Men is het er daarom niet over eens,
of het nu verstandig is vitamine A te slikken of niet, vooral
omdat een teveel aan vitamine A het lichaam niet langs natuurlijke
weg verlaat, maar wordt opgeslagen in vetweefsel. Hoge doses
vitamine A kunnen schadelijk zijn en bijvoorbeeld afwijkingen
veroorzaken aan de ongeboren vrucht, zodat het kinderen
en vrouwen in de vruchtbare leeftijd in ieder geval wordt
ontraden. Via de RPVN kunt u op de hoogte blijven van nieuwe
ontwikkelingen ten aanzien van de therapie, o.a. via het
verenigingsblad "Uitzicht".
Heeft het zin voor controle naar de oogarts te blijven gaan?
Hoewel de oogarts de kwaal niet kan wegnemen, kan hij of zij
u soms toch helpen. Het controleren van de brilsterkte is
natuurlijk zinvol, om uw gezichtsvermogen zo goed mogelijk
te benutten. Zo nodig kan de oogarts u verwijzen voor extra
hulpmiddelen (loupes etc.). Verder komt bij RP vaak staar
voor. Deze staar kan geopereerd worden, waardoor het zicht
aanzienlijk kan verbeteren. RP-patiënten hebben geen
hoger operatierisico dan gewone staarpatiënten, maar
de afweging of je wel of niet moet opereren, kan moeilijk
zijn: in hoeverre is de staar en in hoeverre is de RP verantwoordelijk
voor achteruitgang van het gezichtsvermorgen? Het resultaat
van de operatie is daardoor vaak moeilijk te voorspellen.
Soms daalt de gezichtsscherpte door ophoping van vocht in de gele vlek (macula-oedeem). Hiervoor kan de oog-arts een soort plaspil, Diamox, geven. Dit middel heeft nogal wat bijwerkingen en helpt lang niet altijd, maar kan soms toch de gezichtsscherpte aanzienlijk verbeteren. Tenslotte komt bij een zeer klein percentage van RP-patiënten een verhoogde oogdruk voor. Aangezien dit ook meestal relatief makkelijk (met oogdruppels) kan worden behandeld, is controle van de oogdruk van belang om (onnodige) schade te voorkomen. Veel mensen vinden het prettig zo nu en dan het gezichtsveldonderzoek te herhalen, omdat ze nieuwsgierig zij naar eventuele achteruitgang. Anderen vinden dit juist belastend en zien op tegen de 'confrontatie". Het is het beste dit met uw oogarts te bespreken om tot een gezamenlijke afspraak te komen.
Tot slot
RP is een ernstige oogziekte, die op dit moment niet genezen
kan worden. Over het algemeen gaat het om een zeer langzame
verslechtering, waaraan men zich vaak goed aanpast. De onzekerheid
over het beloop is echter moeilijk te aanvaarden. Het heeft
echter geen zin, u af te vragen óf en zo ja, wanneer
u blind zult worden. Hopelijk wordt u dit niet. Probeert
u zich te richten op de dingen die u wél kunt, bezig
te zijn met vandaag en minder met morgen.